Driekoningen

Lees verder

Mattheus 2,1-12

Het verhaal van vandaag zit vol symbolen. En dat is fijn, en ook handig, want symbolen wijzen ons de weg naar de betekenis van dit verhaal voor ons eigen leven. Want als een verhaal ons niet zelf ook raakt, dan blijft het alleen verhaal natuurlijk, en dat zou jammer zijn. 

We staan vandaag op een kantelpunt in het grote verhaal. We hebben de advent achter de rug, we hebben uitgezien en verlangd, we hebben Kerstmis gevierd, het licht aangestoken en midden in de winternacht ging de hemel open. Nu is het dag. Het is Driekoningen, en met dit hoogfeest wordt de kersttijd beëindigd. Jezus wordt ons geopenbaard, getoond aan de wereld, voor het eerst. 

Vroeger bij ons thuis mochten dan de beeldjes van de koningen nog even bij het kribje staan, nadat ze wekenlang elke dag een stukje dichterbij waren gezet. Maar daarna was het klaar, dan was mijn moeder het zat en ruimde ze alles op en dan begon het gewone leven weer. Ik vond dat altijd een beetje zielig voor de koningen. Driekoningen had iets kaals voor mij. Maar eigenlijk is dat precies wat er vandaag gebeurt: we gaan het kale leven in. Driekoningen brengt ons bij het punt waarop we zelf moeten gaan meedoen in het verhaal. Van toeschouwers worden we deelnemers.

Gelukkig zijn er allerlei momenten in het verhaal die ons daarbij helpen, waarbij we ons kunnen afvragen: wat zou ik gedaan hebben?

Om te beginnen is er die ster. Een teken aan de hemel. Het is niet de vraag of er in uw leven wel eens een ster verschenen is waar u achteraan gegaan bent; de vraag is: wat doet u als u een teken krijgt. De koningen in elk geval, die gingen op pad. En dat is bijzonder. Het waren mannen van aanzien, je zou zeggen dat ze wel wat beters te doen hadden dan naar een baby in een stal gaan kijken. Maar ze gaan. 

Herodes, de sluwe vos, zegt: ‘Oh interessant, als je dat kind gevonden hebt, laat het me weten, dan kan ik er ook naar toe.’ Het grote verschil tussen de koningen en Herodes wordt hier al duidelijk. De koningen krijgen een teken en gaan zelf op pad. Je kunt niet zeggen tegen een ander ‘ga maar kijken waar je het geheim kunt vinden en kom het mij dan vertellen’. Zo werkt het niet, je moet zelf iets doen. 

De koningen trekken verder, komen bij de stal uit, zien de familie, zien dat kind en vallen op hun knieën – het volgende symbool. Opvallend wat hier gebeurt, want koningen knielen niet, normaalgesproken. Voor koningen wórdt geknield. Maar deze mannen knielen voor die baby, ‘werpen zich ter aarde’ staat er in sommige vertalingen. Dat symboliseert de houding die wij mogen aannemen tov dit heilige kind. Onszelf klein maken, weten dat we klein zijn, dat Hij de koning is. Zo klopt het dan toch weer, want er wordt dus wel geknield voor een koning. Een heel klein, bloot koninkrijkje.

Ook in uw leven is er van alles om los te laten: uw opvattingen, uw meningen, uw standpunten, uw gelijk en uw ongelijk. Uw angst. Uw beven. Uw trots, uw bescheidenheid

En meteen zijn we bij het volgende symbool, nl: die wijzen hebben geschenken meegenomen. Over die geschenken is van alles geschreven, over de betekenis ervan, goud, wierook en mirre. Maar één ding is helder: het zijn kostbare, dure geschenken, maar het gaat niet om dingen met eeuwigheidswaarde. Het gaat niet om geloof hoop en liefde, het zijn aardse geschenken. Weliswaar met een symbolische betekenis, maar toch, van de wereld. De innerlijke beweging hierbij is: alles wat aards is, wat wereld is, dat moet je loslaten om de Heer te kunnen zien. Je moet alles weggeven wat je hebt.

Ook u in uw leven heeft dingen achter te laten en los te laten, als u werkelijk aan de voeten van de Heer wilt belanden. Wat in uw leven ‘van de wereld’ is, dat zijn: uw opvattingen, uw meningen, uw standpunten, uw gelijk en uw ongelijk. Uw angst. Uw beven. Uw trots, uw bescheidenheid. Dat zijn als het ware de wereldse heersers van het leven. Alles waar een mens zich mee kan tooien in een mensenleven, het is per definitie: menselijk. En dus niet goddelijk. Al die dingen mag u hier, op dit moment in het verhaal, loslaten. En zelf blijft u dan achter en het enige wat u dan nog heeft is het naakte, weerloze Godgegeven leven. 

En dan komt het laatste symbool. De koningen moeten weer naar huis. Ze moeten de avond van tevoren hun reis voorbereid hebben, misschien hebben ze nog eens naar de sterren gekeken, water in zakken gedaan, en ‘O ja’ gezegd, ‘we moeten ook nog naar Herodes.’ En dan krijgen ze ’s nachts een droom, waarin ze gewaarschuwd worden om niet naar Herodes terug te gaan. En opnieuw luisteren ze. 

Ze laten Herodes links liggen, dat wil zeggen: ze leggen hun oude leven af. Ze luisteren niet langer naar de heersers van hun oude leven, niet meer naar de wereld, ze beginnen aan iets nieuws. Geraakt door dit kind zijn ze, en ze gaan iets anders doen. Ze nemen een andere weg naar huis. Hun leven krijgt een nieuwe wending nu ze zo geraakt zijn door dit kind.

En hier zijn we bij dat kantelpunt gekomen waar ik het aan het begin over had, het moment waarin het kerstverhaal omkeert naar een verhaal van u en van mij. Want dat baby’tje, heel schattig, en die beeldjes bij de kerststal die elke dag een stukje dichterbij mochten, heel schattig, maar wat ga je ermee doen nadát het Driekoningen is geweest? Dát is de vraag. 

We kijken hier niet langer naar een verhaal, we worden uitgenodigd om er midden in te gaan staan, om neer te vallen voor dat kind, alles los te laten en weg te geven en een nieuw leven te beginnen. Om dat kind en alles waar het voor staat, werkelijkheid te laten worden in ons leven. Met alle risico’s van dien.

Want het kan niet anders, of uw leven verandert als u zich tot in uw wezen laat raken door dat kind. En u bént geraakt, want anders zat u hier niet. We hebben allemaal jaren de tijd gehad om weg te lopen uit de kerk, maar we zitten er nog. Maar leven met dat kind lokt ons ook vérder, voorbij het ‘naar de kerk gaan’, het lokt ons een totaal nieuw leven in. En als er in uw leven verder niets verandert, bent u nog niet echt geraakt en beweegt er niets, zoals het water roerloos blijft, totdat er op zijn minst een veer op landt, die kringen maakt, steeds wijder. We nemen de kracht van het goddelijk licht, leven en liefde pas waar als ze ophouden een idee te zijn, en persoonlijke ervaring worden. 

Het vraagt zachtheid en de ogen van een kind om op die manier te kunnen leven. Daar mogen we om vragen, en dat zullen we ook doen, straks in het slotlied: ‘Wek mijn zachtheid weer, geef mij terug de ogen van een kind, dat ik zie wat is, en mij toevertrouw, en het licht niet haat.’

Die zachtheid wens ik u toe – en ik daag u uit tot slot. Als u straks naar huis gaat, neem dan eens, letterlijk, een andere weg. Dus als uw auto rechts staat, dan bedoel ik concreet: sla dan eens linksaf, loop óm het klooster heen en kom dán bij uw auto uit. Als u hier in het stadje woont en u loopt naar huis of u fietst naar huis, neem dan eens een andere route. En vóel eens wat dat doet, hoe gek dat is. Hoe onwennig. En dan heb je het alleen nog maar over zoiets kleins, laat staan hoe onwennig het zal zijn als we werkelijk kiezen voor een leven waarin we de goddelijke liefde de route laten bepalen. 

Op deze dag van de drie wijzen die ons het goede voorbeeld geven, wens ik u uw eigen nieuwe weg met het koningskind toe, want dat is de weg van het ware leven.

Amen

Naar alle teksten

arrow-right arrow-down arrow-left facebook twitter linkedin cross