De bloemen en de vogels zien

Misschien is het dit: dat de monnik-kluizenaar in het groot, met zijn gehele lijf en leven, uiting geeft aan het diepe verlangen dat mensen drijft: het verlangen naar verbinding met de Ene, de Eeuwige, de Eenheid zelf. Het voortdurende uitreiken daarnaar, dat zoeken en streven dat pas tot rust komt als het besef is ingedaald dat streven en zoeken nu juist verhinderen dat je vindt wat je zoekt, dát uitreiken is – idealiter – tot rust gekomen in de kluizenaar. En wij benijden hem. Zijn geïntrigeerd. Hij heeft een geheim en we achtervolgen hem tot aan de deur van zijn kluis, bereid om het hem uit handen te grissen om onze eigen ziel te redden. We maken er een tijdschrift over vol foto’s en verhalen van mensen die het geheim kennen; mannen en vrouwen die kozen voor een leven alleen en het nog uithouden ook. En dat tijdschrift verkopen we. En het wordt gelezen. En als we het uit hebben, blijven we achter in onze stoel, we kijken naar buiten en zien ons vertrouwde uitzicht, dat in niets lijkt op een romantisch huisje in een lavendelveld. Dit is het moment om wakker te schrikken uit dit verhaal en te beseffen dat het geheim van de kluizenaar niet van een uitzicht afhankelijk is, maar dat het verborgen ligt in hem, zoals het ook verborgen ligt in ons. Wij zijn ten diepste niet anders dan de kluizenaar, we verschillen alleen in de vorm. Waar wij ons verlangen naar verbinding met ons christusbewustzijn vaak meedragen als een verborgen facet van ons leven, koos hij ervoor om zich met alles wat hij heeft daaraan toe te wijden. 

In de Regel van Benedictus wordt de kluizenaar slechts aan het begin genoemd. Laten we, voordat we verder gaan met het weven van draden rond het onzegbare geheim, eerst wat verkennende bewegingen maken binnen de traditie.

‘Vervolgens is er een tweede soort (monniken), die van de anachoreten: dat wil zeggen kluizenaars; monniken, die niet meer door de eerste ijver van hun monnikenleven gedreven worden, maar die door een lange proeftijd in het klooster met de steun van de gemeenschap geschoold zijn en geleerd hebben tegen de duivel te strijden. Nadat zij zich in de gelederen van de broeders hebben geoefend voor het duel in de woestijn, zijn zij met de steun van God sterk genoeg om verder zonder andermans hulp, alleen met eigen hand en arm veilig weerstand te bieden aan de aanvechtingen van het vlees en hun gedachten.’[peternoot1]

Dit is alles wat Benedictus zegt over het kluizenaarsleven; hier moeten we het mee doen. Elders spreekt hij nog over de monnik die ‘in afzondering’ wil bidden[peternoot2], maar het woord ‘alleen’ komt met name voor in de betekenis van ‘slechts’, op die paar vermeldingen na[peternoot3] waarin het gaat om monniken die gestraft worden of geëxcommuniceerd zijn en daarom ‘alleen’ aan tafel moeten zitten. De Regel, zoveel is wel duidelijk, is niet voor kluizenaars geschreven. Toch is er in de beschrijving van dit type kluizenaar te beluisteren dat het om een kranig soort monniken gaat. Ze zijn beproefd in het gemeenschapsleven, gelouterd en sterk genoeg bevonden. Kluizenaar word je niet zomaar, althans niet als het aan Benedictus ligt.

Over de herkomst van het woord ‘kluis’ kunnen we kort zijn; die is volstrekt helder. In het Middelnederlands was cluse een ‘afgesloten ruimte’. Het was ontleend aan het middeleeuws Latijn clūsa, dat van claudere kwam: afsluiten. Niets dubbelzinnigs aan: de kloostercel is een afgesloten ruimte. Daar kom je, kortom, niet zomaar binnen. En dat moet vooral zo blijven. Het buitenhouden van het wereldse en de mensen is niet vanuit de gedachte dat we niet zouden mogen weten wat er gebeurt in de kluis. Er gebeurt daar ook helemaal niets bijzonders. De kluizenaar eet, drinkt, slaapt, leest, bidt, maakt een wandeling en staat onder de douche. Het buitenhouden is niet zozeer bedoeld om de mensen af te wijzen, als wel om de eigen stilte te bewaken en te behoeden. 

Clichés over het kluizenaarschap kunnen we al met al maar beter loslaten. Vergeet het geromantiseerde beeld van het vervallen houten hutje en de zonderling daarin. Laten we liever naar ons eigen uitzicht kijken, het vizier op eigen dagen en leven richten en ons afvragen wat daarin ontbreekt. Want zolang we het gras aan de overkant, dat bij die kluizenaar in de tuin bijvoorbeeld, groener achten dan ons eigen gras, zijn we kennelijk nog ergens naar op zoek. Hoe zou het zijn om de gedachte toe te laten dat wat we zoeken in wezen niet bij de kluizenaar te vinden is, maar slechts bij onszelf? En dat hooguit het voorbeeld dat hij stelt, ons kan inspireren? Kennelijk is het mogelijk om geheel en al het leven in dienst te stellen van het innerlijk verlangen – zou er dan niet voor ons iets mogelijk zijn dat daar op lijkt, iets dat in de grond hetzelfde is?

            De ‘tien tips’ in de reportage helpen je enigszins op pad. Schep een plek voor dit deel van je leven, zoek structuur, maak het stil, voed en open je geest, doe eens niets, geniet van de natuur, wees zacht, zoek de verbinding, streef naar heelheid. Toch zijn deze tips alleen nog maar de richtingaanwijzers. En richtingaanwijzers zijn niet de plek zelf, zij wijzen slechts. Het is dus niet zo dat je er al bent, als je de tien tips ‘uitvoert’. Je kunt er nog zo ijverig mee aan het werk gaan, het is niet gezegd dat je ook maar iets vindt van wat je zoekt. Pas in de laatste tip, die over de heiligheid, klinkt een zweem van het moment van aankomst. Dat is waar het over niet meer streven gaat, over gewoon tevreden zijn met je leven zoals het is, over ‘heel’ zijn.

Heelheid – heiligheid – ligt onder ieders handbereik: je vindt het op het moment dat je stopt met dingen doen en zeggen die niet in overeenstemming zijn met wat er werkelijk in jou leeft. Elk moment dat je spreken en handelen klopt met wat je in je hart hoort, is in feite een ‘heilig’, want ‘heel’ moment. Wiebe Draijer, CEO van de Rabobank, noemde het onlangs in een interview met Roek Lips ‘congruentie’ – samenvallen met jezelf.[peternoot4]  De waarheid niet uit de weg gaan, zacht durven blijven, zogenoemde brutal honesty tonen en vreesloos leven. Het is een radicaliteit die de kluizenaar eigen is, het is weg van het lauwe midden, weg van de mantel der liefde, weg van de zoete broodjes. Of Draijer deze innerlijke houding ook met Gods liefde verbindt weten we niet, maar het interview laat zien dat de samenleving rijp is voor nieuwe vormen van zakelijk leiderschap en we kunnen alleen maar hopen dat het ook leidt tot een heroriëntatie binnen het openbaar bestuur, tot een nieuwe, waarachtige manier van besturen waarin daadkracht en wijsheid weer hand in hand durven gaan. 

Het is opmerkelijk dat wat nieuw leiderschap genoemd wordt, in feite oeroud is. Wellicht slaan de cursussen ‘innerlijk leiderschap’ zo aan omdat er wordt geappelleerd aan iets wat we op zielsniveau al eeuwen weten. Het is niet nieuw; alles wat in zulke cursussen voor managers wordt aangeboden, stond reeds in de oude boeken; onze hele samenleving is erop geënt, Europa komt eruit voort. We waren het alleen vergeten.

In hart en nieren verlangen naar samenvallen met de Liefde die eeuwig is. Een leven lang zoeken. Om raad vragen bij de kluizenaar. En dan horen, leren en uiteindelijk voelen dat het geheim inderdaad in je eigen hart en je eigen nieren verborgen ligt, in een kluis die je onbewust had afgesloten. Misschien gebeurt dit omdat de mens op een diep niveau weet heeft van de onschatbare waarde van zijn ziel en haar instinctief beschermt voor de ruwe wereld van de grote mensen. Uit angst, onzekerheid, twijfel. Omdat hij te lui is om er werk van te maken of juist denkt dat hij alles kan oplossen met redeneren. Of omdat hij denkt dat hij beter is dan de rest van de mensheid en de wereld hem niet goed genoeg is. Noem ze maar op, alle demonen.

Hoe het ook zij, wie zijn diepste innerlijk op deze manier tot kluis maakt, begaat een vergissing en mag zich uitgenodigd weten tevoorschijn te komen. De kluis van de monnik heeft namelijk altijd een raam; broeder Guerric vertelt het ons in het hoofdinterview. Wie zich opsluit in zichzelf, is geen kluizenaar, want de ware kluizenaar is verbonden met alles. Dat is misschien wel de grootste paradox van het kluizenaarschap, dat het niet kan zonder in contact te staan met de schepping, met licht en donker, land en water, planten, dier, mens – en met de Schepper zelf.

Er is een verhaal, in de Gesprekken van Cassianus, over ‘de gewelddadige dood van de heiligen’.[peternoot5] In de onmetelijke woestijn van Palestina ‘verbleven (…) monniken van een hoogstaand leven en de grootste heiligheid. Maar plotseling zijn zij door zwervende Saraceense rovers vermoord.’ Wat volgt is een beschrijving van het gevecht om de erfenis van deze kluizenaars. Terwijl bisschoppen en bevolking de relieken plechtig bijzetten, ontstaat er een twist over de ‘heilige buit’, die uiteindelijk zelfs leidt ‘tot een treffen met het zwaard.’ Waarom had de Heer toegestaan dat zulke heilige mensen gedood werden en liet hij de mannen en hun nalatenschap over aan de handen van de goddelozen? Het antwoord van abt Theodorus op deze vraag klinkt rond het jaar 400, maar geldt voor alle tijden. Hier is wat hij (samengevat) zegt:

‘Deze vragen verwarren je als je te weinig geloof of kennis bezit. (…) Als we de waarheid niet kennen, zullen we wankelen en weifelen en van ons stuk gebracht worden zodra we zelf beproefd worden. (…) Om te ontsnappen aan dit gebrek aan kennis, dat de wortel en oorzaak is van alle dwalingen, moeten we vóór alles weten wat in werkelijke zin goed is en wat kwaad. En als we hierover niet de valse opvatting van de massa hebben, maar de ware van de Schrift, dan zullen de dwalingen van ongelovige mensen ons niet misleiden.’

Luister hoe het in dit antwoord niet gaat over de vermoorde kluizenaars. Niet over de twist om hun erfenis, noch over al het wapengekletter. Al deze ellende wordt veroorzaakt door ongeloof en gebrek aan kennis. Dit antwoord geldt ook voor ons, als wij vragen waarom wij de rust, de stilte en de wijsheid van de kluizenaar niet hebben. Met een beetje fantasie lijkt het zelfs op wat er destijds in die woestijn gebeurde: vechten om een erfenis. Geloof en kennis moeten wij zelf vergaren, zegt Theodorus, om met behulp van de genade te belanden op de plaats waar we wilden zijn, of liever gezegd: waar God ons wilde hebben.

Natuurlijk – de hiervoor benodigde wijsheid is vaak te vinden in hart en hoofd van de kluizenaar en als het een goede kluizenaar is, zal hij bereid zijn naar onze vragen te luisteren en zelfs antwoord te geven. Maar wat ons werkelijk te doen staat als we geraakt worden door de eremitische leefwijze, is allereerst ons afvragen wat het is, dat ons daarin raakt. Dan: ontsnappen aan onze onwetendheid erover, zorgen dat we kennis vergaren, het goede lezen, het kwade wegleggen en zo de waarheid leren kennen, God en met hem de Liefde toelaten in onze dagen, de bloemen en de vogels zien, de sterren en de mensen, en ons niet inlaten met de dwalingen van de massa. Dat vraagt wakker zijn, op de weg letten die zich voor je uitstrekt, de uitnodiging herkennen en de tekenen verstaan. Alert zijn. Zodat je, op het moment dat een vreemdeling je vraagt: ‘Wie ben jij?’ weet wat je te doen staat, kunt meebewegen en durft te antwoorden op het leven zelf. Ik ben wie Gij wilt dat ik ben.

(Uitgeverij Adveniat Baarn, magazine Klooster! nr. xx, pagina 70-74)

Lees verder

Help!

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit. Quam cum officiis ducimus laborum magnam nisi, possimus obcaecati quis impedit. Nihil saepe fugit maxime, voluptate excepturi dolores voluptatem illum facere quam!

Een stapel leeg papier en een pen - als kind al stopte ik dat als eerste in mijn koffer als we op vakantie gingen. De rest was bijzaak. En eigenlijk is daar lange tijd niet zoveel in veranderd. Schrijven was leven en het leven was altijd vol van schrijven. Ik leerde dat woorden pas in de goede volgorde staan als degene voor wie ze bedoeld zijn erdoor geraakt wordt, als er contact gemaakt wordt. Uiteindelijk gaat het over de vraag of wij mensen met elkaar verbonden zijn of niet. Dit inzicht zocht zich een weg in mijn leven, zoals de zee bij vloed het strand inneemt.

'Ik hou ervan als het mag gaan over de liefde, over God en de mensen, over leven en dood, over wat mensen bindt.'

Inmiddels weet ik dat ik pas gelukkig ben als het in mijn werk mag gaan over de dingen die er toe doen in het leven. Over de liefde dus, over God en de mensen, over leven en dood, over wat mensen bindt.

Ik leef en werk vanuit spiritualiteit van de cisterciënzers. Binnen deze traditie werd ik opgeleid tot geestelijk begeleider en ik ben 'novicenmeesteres' van nieuwe leden van de lekengroep waar ik lid van ben. Ik begeleid mensen individueel of in groepen, op zakelijk of persoonlijk vlak en ik begeleid en ontwikkel retraiteprogrogramma's. Mijn begeleiding brengt mensen bij wat ik graag 'de waarheid van het leven' noem. Iedereen die toe is aan het eigen, echte verhaal herkent dit.

O ja. En dat met die woorden is niet gestopt. Ik schrijf artikelen op verzoek, ben eindredacteur en auteur van het magazine Klooster!, heb een column in het ND, houd lezingen en ben beschikbaar als dagvoorzitter.


arrow-right arrow-down arrow-left facebook twitter linkedin cross